Krooshekreinigers

 

Start
Omhoog

 

 

Krooshek met mechanische reiniger (kam)

Krooshek met hydraulische reiniger (arm)

Het krooshek (‘trash rack’) moet voorkomen dat de turbine beschadigd wordt door het zwerfvuil dat in de rivier drijft zoals drijfhout, afval, gras, algen, wier en bladeren. Afhankelijk van het turbinetype en het schoepenaantal verschilt de spijlafstand in het grofrooster (men beschouwt de sproeidiameter dewelke 1/30e  van de rotordiameter  bedraagt). Bij grote installaties kan deze afstand 10 cm bedragen, maar voor de kleinere centrales gelden spijlafstanden tussen de 1,5 en 4 cm. Op deze manier is men ervan verzekerd dat de enige vaste deeltjes die de turbine bereiken, klein genoeg zijn om de werking van de installatie niet te hinderen. Het gevolg van het krooshek is dat het water een zekere weerstand zal ondervinden waardoor het niveau achter het krooshekken iets zal dalen (ongeveer 10 cm) en er dus een verlies is van de totale valhoogte.

Indien er veel vuil voor het krooshek zit dan daalt het waterniveau achter het krooshek, dit betekent wederom een verlies aan valhoogte dus men heeft er alle voordeel bij dat het hek gereinigd wordt.  De waterstand wordt met sonarsensoren of met een druksonde voor en na het krooshekken gemeten. Het reinigen van het krooshek kan met een mechanische krooshekreiniger (kam op een ketting) of met een hydraulische arm plaatsvinden. De hydraulische arm is een betere reiniger maar is gemiddeld ook duurder.

Het rooster wordt in het begin van het kanaal geplaatst onder een hoek van ca. 15°-30° om enerzijds beter aan de druk van het water te kunnen weerstaan en anderzijds het vuil er gemakkelijk vanaf te kunnen ‘schrapen’.

De stroomsnelheid aan het krooshekken moet beperkt blijven tot 0,5 à 0,7 m/s omwille van twee redenen:

enerzijds omdat men bij een hoge snelheid van de stroom meer verlies heeft aan het krooshek,
anderzijds om de vissen te beschermen. Er moet rekening gehouden worden met de zwemsnelheid van de traagste (niet-migrerende) vissen  (<0,5 m/s) om te vermijden dat deze met het krooshek in aanraking zouden komen (en eventueel in de turbine verdwijnen). Vandaar dat de snelheid van de stroom aan het krooshekken beperkt moet zijn tot 0,5 m/s.

        Voorbeeld: Indien er een gemiddeld turbineerbaar debiet beschikbaar is van 20 m³/s en men weet dat de instroomsnelheid 0,5 m/s moet zijn, dan kan men         berekenen dat het krooshek een oppervlak van 40 m² moet hebben.