|
|
1.
Impact op de waterhuishouding van de waterweg : De impact van een waterkrachtcentrale op de hydrologische karakteristieken van de waterloop is op de eerste plaats afhankelijk van de inplanting van de installatie. In vrij afwaterende rivieren heeft een inplanting op een afleidingskanaal van de hoofdstroom een belangrijke impact op de waterhuishouding, omdat dit gepaard gaat met een (gedeeltelijke) afdamming van de rivier. Het is in deze situatie dus belangrijk dat een adequate debietsverdeling gerealiseerd wordt voor de verschillende functies van de waterloop. Bij de sites op de bevaarbare waterlopen blijft de functie van de hoofdstroom behouden door voldoende debiet te reserveren voor de scheepvaart en/of vismigratie. 1.2 Waterkwaliteit en zuiverheid van de waterweg De bedrijfsvoering van een waterkrachtcentrale gaat niet gepaard met gevaarlijke of giftige lozingen in het oppervlaktewater. De smeermiddelen welke gebruikt worden voor de onder het wateroppervlak gelegen delen van de installatie, zijn maximaal biologisch afbreekbaar en voldoen aan alle voorschriften.Tevens heeft de installatie van een krooshek met reiniger ter bescherming van de turbineinstallatie (zie eerder) tot gevolg dat de watergang wordt gezuiverd van daarin afgezette voorwerpen en/of stoffen zoals aangedreven vuil en (tak-)hout. 2. Impact op fauna en flora - VISMIGRATIE Doordat er doorgaans geen fundamentele veranderingen teweeg gebracht worden in het stromingspatroon zal de exploitatie van een (kleinschalige) waterkrachtinstallatie geen veranderingen teweeg brengen aan de hydro-biologische kwaliteiten van de waterloop, noch aan de oevervegetatie of fauna. Wel is er sprake van een mogelijke impact op de visstand. Zo moet er enerzijds rekening gehouden worden met mogelijk rechtstreekse schade aan de vis omwille van de waterkrachtinstallatie zelf. Deze zou veroorzaakt kunnen worden door het zwerfvuilrooster (krooshek) voor de turbine of door de turbine zelf. Anderzijds verdient de passeerbaarheid van dammen, stuwen of molens voor vissen ook zeker de aandacht. Watermolens en stuwen vormen op zich niet de oorzaak van achteruitgang in de visstand, maar ze kunnen het herstel van bepaalde populaties eventueel bemoeilijken. Dit geldt dan met name voor de migrerende vissoorten waarvan de levenscyclus extreem is aangewezen op migratiebewegingen tussen watersystemen (vb. salmoniden, paling). In het algemeen onderscheidt men 2 soorten vissen:
VisdoorgangZowel voor de trek van de vis stroomopwaarts als stroomafwaarts (in het geval van migrerende vissen) kunnen door de plaatsing van een microcentrale obstakels ontstaan (zie milieuaspect). Het is evident dat een dam, stuw of een waterkrachtcentrale een obstakel betekent voor de stroomopwaarts bewegende vis. Ook voor de stroomafwaarts bewegende vis betekent een dam, stuw of waterkrachtcentrale een obstakel waarbij er in dit geval nog het gevaar bestaat voor fysische schade aan de vis indien ze in aanraking komt met mechanische onderdelen van de centrale zoals het krooshek of de turbine zelf. Om barrières die de vistrek verhinderen voor vissen overbrugbaar te maken, bestaan er de volgende mogelijkheden.
|
|